Home Kerkvaders Aurelius Augustinus Augustinus en de Paastijd

Augustinus en de Paastijd

Inleiding

In de vroeg-christelijke kerk vormde de Paastijd het hart van het kerkelijk jaar. In Augustinus' dagen1 was dat niet anders. Deze periode van bezinning en viering van het lijden, sterven en de opstanding van Jezus Christus begon met de veertigdagentijd en eindigde met de periode van vijftig dagen na Pasen, dus de hemelvaart van Christus en het Pinksterfeest inbegrepen2.

Veertigdagentijd

De periode voorafgaand aan Pasen, de zogenaamde veertigdagentijd, werd gezien als een voorbereiding op het aankomende Paasfeest. Door de gelovigen werd tijdens deze periode op zoveel mogelijk dagen gevast, met uitzondering van de zondag. Augustinus geeft aan dat het vasten tot doel heeft om geestelijk waakzaam te blijven3. Dat wat men door te vasten overhoudt, kan worden geschonken aan hen die dat nodig hebben4:

"Hoe kunt u dat wat u zich in onthouding ontzegt, beter besteden dan door het in barmhartigheid te geven?"

Barmhartigheid staat dus centraal in deze periode van voorbereiding op het Paasfeest.
Daarnaast was de veertigdagentijd voor catechumenen, die zich aan het begin van de vastentijd aanmeldden, een periode van voorbereiding om in de Paasnacht het sacrament van de doop te ontvangen. Catechumenen waren zij die als lid van de kerk stonden ingeschreven, maar nog niet gedoopt waren. Zij die zich aanmeldden voor de doop, de zogenaamde competentes, werden gedurende de veertigdagentijd ingewijd in de christelijke leer. Daarnaast kregen ze uitleg over de doop en de eucharistie. Als catechumeen had men namelijk tijdens een kerkdienst geen toegang tot de bediening van deze sacramenten5. Augustinus brengt de veertig dagen van deze voorbereidingstijd in verband met de veertig weken dat een kind zich in de moederschoot ontwikkelt. Net zoals een kind na veertig weken geboren wordt, zo wordt ook de dopeling in de Paasnacht opnieuw geboren in het doopvont van de kerk, de Moeder6.

Paasnacht

De Paasnacht7, de nacht voorafgaand aan Pasen, was het hoogtepunt van de liturgische kalender en het bracht in Hippo veel mensen op de been. Het was de nacht waarin de catechumenen werden gedoopt.
Het gebeuren startte bij het begin van de schemering. In processie werd een kaars, als symbool voor het Licht van Christus, de basiliek binnengebracht, gevolgd door het aansteken van veel olielampen. Daarna begon een lange reeks bijbellezingen, en werden psalmen en liederen gezongen. Ook hield Augustinus een korte preek.
Vermoedelijk tegen het einde van de nacht begon de doopplechtigheid. De dopelingen hadden gedurende veertig dagen intensief onderricht gehad in de beginselen van het christelijke geloof. Nu stonden ze op het punt de doop als inwijding in de kudde van Christus te ontvangen.
Als eerste keerden de dopelingen zich naar het westen, de plek waar de zon ondergaat, de plaats van de duisternis. Door het uitspreken van een formule zwoeren ze satan en zijn werken af. Vervolgens keerden ze zich naar het oosten, de plek waar de zon opkomt, de plaats van Christus. Nu spraken ze de tijdens hun onderricht ontvangen geloofsbelijdenis uit8.
Na deze handelingen vertrokken ze uit de kerk en lieten de daar aanwezigen achter. In processie gingen ze op weg naar de nabijgelegen doopkapel (baptisterium). Daar ontdeden ze zich van hun kleding en daalden een voor een naakt af in het door de bisschop gezegende water. Vervolgens werden ze driemaal ondergedompeld, nadat ze driemaal hun geloof in respectievelijk God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest hadden beleden. Daarna werd hun hoofd gezalf en de handen oplegd, terwijl er een gebed om de Geest werd gebeden.
Tenslotte kregen ze een wit kleed aan ter aanduiding van hun status als 'infantes', nieuw-geborenen9. Daarna keerden ze terug naar de kerk. Nu mochten ze voor het eerst deelnemen aan de viering van de eucharistie, een onderdeel van de kerkdienst dat ze tot voor kort niet mochten bijwonen5.

Paastijd

De Paastijd bestond uit de gehele periode van 50 dagen na Pasen. Speciale momenten in deze periode waren de achtste, de veertigste en de vijftigste dag. Tijdens de eerste acht dagen kwam de gemeente dagelijks bij elkaar. De pasgedoopten stonden nog in hun witte kleding apart van de rest van de gelovigen. Vanaf de achtste dag namen zij hun plaats in bij de rest. Op de veertigste dag werd in Hippo de hemelvaart van Christus herdacht10. De vijftigste dag van de Paastijd stond in het teken van het Pinksterfeest11. Vooral bij Augustinus stond dit feest, naast de herdenking van de uitstorting van de Heilige Geest, in het teken van de verschijning van God op de Sinaï12.

Noten

Aurelius Augustinus leefde van 354-430. Zie: Het leven van Augustinus.
Zie voor de veertigdagentijd in de vroeg-christelijke kerk: De Veertigdagentijd in de vroege kerk. Voor Hemelvaart en Pinksteren: De theologie van Hemelvaart en De theologie van Pinksteren.
Zie Van Zaalen, 2001, p. 24. Zie ook Hans van Reisen: Augustinus over de veertigdagentijd.
Sermo 208, 2.
Dit hield verband met de praktijk van de zogenaamde Disciplina Arcani, de discipline van het geheim, waarbij men de meest centrale 'geheimen' van het christendom wilde afschermen voor niet-gelovigen en zelfs voor hen die nog niet gedoopt waren. Na afloop van de woordbediening moesten de ongedoopten de kerk verlaten, waarna de eucharistie aan de gedoopten werd bediend.
Sermo 210, 1. Zie Van Zaalen, 2001, p. 23-24.
Zie voor het volgende Van Zaalen, 2001, p. 20-21 en Van der Meer, 1947, 318-336.
Het uitleggen van de geloofsartikelen van het christelijke geloof door de bisschop aan de catechumenen werd soms de 'traditio symboli' genoemd. Het uitspreken van de geloofsbelijdenis door de doopkandidaat in aanwezigheid van de gemeente was de 'redditio symboli', het als gelovige weer 'teruggeven' van datgene wat men had ontvangen.
Dit witte kleed droegen ze gedurende de eerste acht dagen van de Paastijd, waarbij ze ook een aparte plaats in de kerk toebedeeld kregen. Zie Van Zalen, 2001, p. 22.
Het vieren van Hemelvaart op de veertigste dag na Pasen was in Augustinus' tijd nog geen algemeen gebruik. Augustinus baseerde zich echter op Hand. 1, 1-3. Zie ook: De theologie van Hemelvaart.
Van Zalen, 2001, p.22.

Bronnen

  • Als lopend vuur, Preken voor het liturgisch jaar (2), Richard van Zaalen e.a., 2001, Ambo, Amsterdam.
  • In antwoord op uw vragen, Augustinus' brieven aan Januarius, Ben Bongers e.a., 2009, Damon, Budel.
  • Augustinus de zielzorger, F. van der Meer, 1949, Het Spectrum, Utrecht/Brussel.
    Pagina laatst gewijzigd op: 23-03-2015
Zoeken binnen vroegekerk.nl
Uitgelicht